Mariap van Urk

Als iemand zich heeft geprofileerd als dichter(es) van Urk, dan was het wel Mariap van Urk, geboren aan het einde van de negentiende eeuw. Ze zei eens in een dagbladinterview:

“Weet u, ons Urk is zó mooi… Nee, niet in natuurschoon bedoel ik, maar in karaktereigenschappen. Ik hoop, en ik beschouw het als een taak, mij van bovenaf opgelegd, iets van dat mooie, dat volks-eigene, uit te dragen naar buiten.”

En dat uitdragen, dat deed ze.

Ze kwam wat dat betreft dan ook uit een bijzonder gezin: haar voorvader, Klaas Koffeman, schreef het eerste stukje in het Urker dialect. Ook stelde hij een woordenlijst van dit dialect samen.

De man van Mariap, Klaas van Urk, was visserman. Een zwaar bestaan, helemaal na de stranding van zijn schip ter hoogte van Egmond. Met zeven kinderen, en de financiële afhankelijkheid van een wisselvallig vissersinkomen, viel het in het huishouden voor Mariap niet altijd mee.

Al gauw werd Mariap zich bewust van haar talent. Naast de zorgen en het harde werken van een vissersvrouw zag ze tijd gedichtjes, of versjes – zoals ze die zelf noemde – op papier te zetten. Ondanks het zware eilandleven getuigt haar werk van grote blijmoedigheid, hetgeen slechts verklaard kan worden uit het feit, dat ze een diepgelovige vrouw was.

Haar gedichten waren vaak gelegenheidsgedichten. Regelmatig schreef ze voor trouwerijen en jubilea, maar ze probeerde ook troost te bieden na sterfgevallen. Vele Urkers stond ze zo bij in moeilijke tijden. Talrijk zijn haar kleine gedichtjes, die onder andere gepubliceerd werden in het krantje “De Oprechte Urker”.

Ondanks de geïsoleerde ligging van het vooroorlogse eiland Urk, was Mariap alles behalve wereldvreemd. Mariap probeerde de wereld om haar heen te begrijpen en gaf daar op geheel eigen wijze invulling aan, getuige haar gedichten.

Haar nieuwsgierigheid is ook terug te zien in de vele contacten die ze onderhield met “vreemden”. De deur van het kleine huisje aan de Prins Hendrikstraat stond altijd open. Vele reizigers bezochten haar: kunstenaars, schrijvers, journalisten. Haar naam is terug te vinden in archieven van de grote nieuwsbladen: Jef Last, schrijver en journalist (Groene Amsterdammer), heeft haar vaak genoemd. Ook de destijds beroemde Mary Pos wijdde artikelen aan Mariap, uit welk contact uiteindelijk een goede vriendschap groeide.

Hoe betrokken Mariap bij haar eigen dorp was, blijkt uit haar felle protest tegen de Afsluitdijk en de drooglegging van de Zuiderzee. Haar oprechte zorgen, en protest, komt naar voren in het volgende gedicht:

Eerst de zee en nu de netten
nam men aan de Urkers af,
en zo delft men schop voor schopje,
langzaam aan des vissers graf.
(…)
Was ik zélf een Urker visser,
of ik kwaad deed of wel goed,
sterven zou ik op mijn netten,
badend in mijn paupersbloed.

Deze zorgen zijn ook de thema van haar eerste bundel “Vaarwel mijn Zuiderzee” (1949). Met een manuscript in handen ging Mariap naar Kampen en werd zo de eerste Urker met een dichtbundel op naam. Natuurlijk was ze trots, maar toch voelde ze zich vaak onbegrepen:

Ik heb somtijds een gevoel van … eenzaamheid.
Nee, dat niet, dat vooral niet.
Daar is Urk veel te gezellig voor.
Wél een gevoel van alléén-staan wat dit werk betreft.

Het viel immers niet mee, binnen een hardwerkend calvinistisch dorp, uiting van esthetiek te geven. Niet dat dit de Urkers aan te rekenen viel – voor de kunsten was, en is, nauwelijks tijd en begrip in het drukke vissersbestaan.

Haar deftige, in mooie volzinnen (én met een prachtig handschrift) geschreven gedichten, soms naïef, soms op één lijn te stellen met de grote protestants-christelijke dichters uit de vorige eeuw, doen denken aan een tijd die is voorbijgegaan en niet meer terugkomt.

Mariap lijkt zich in haar laatste levensjaren dan ook neer te leggen bij het einde van een tijdperk: ze kan er niet langer tegen vechten. In weemoed nam ze al afscheid in haar bekendste gedicht “Vaarwel mijn Zuiderzee”:

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

En dan is er in het laatste kwatrijn toch die hoop op de toekomst, die met frisse moed tegemoet moet worden gegaan:

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.